2017-04 e.v. De vergeefse reddingspoging van De Olde Kaste

Op 23 juni 1931 meldde de Zutphense Courant het einde:
“De onderhandelingen betreffende de overname van de bekenden standaard molen de Olde Kaste door de Vereeniging De Hollandsche Molen kunnen thans definitief als geëindigd worden beschouwd. Het is helaas niet gegaan, zooals de velen, die de actie voor behoud ervan zoowel geldelijk als anderszins steunde, hadden gehoopt en verwacht. Het oude bouwwerk herinnerend aan het verleden, heeft er den langsten tijd gestaan: zijn lot is thans voorgoed beslist: h e t w o r d t g e s l o o p t!.
Het plaatselijk comité heeft geen moeite ontzien, om dien ouden molen voor afbraak te behoeden. Het wist een voldoende bedrag bijeen te krijgen voor aankoop en restauratie. De Hollandsche Molen zou hem daarna in eigendom krijgen en tegen een matigen prijs weder in huur geven aan de tegenwoordige eigenares. Omtrent overname, verder gebruik, onderhoud, verzekering etc. was men tot overeenstemming gekomen. Kortom de zaak scheen in kannen en kruiken. Alleen de jaarlijks op te brengen huur vond de eigenares te hoog. De Hollandsche Molen bleef echter bij haar eenmaal bedongen prijs met het gevolg dat beide partijen elkaar niet wisten te naderen over een verschil van een belachelijk, klein bedrag aan huur. Het comité overweegt thans plannen om met goedvinden van de gevers, het reeds ontvangen geld te bestemmen voor een evt. met afbraak bedreigde molen van hetzelfde type in de naaste omgeving”.

Gemeenteambtenaar Morsink die veelvuldig in de archieven dook en onderzoek deed, had een duidelijke mening over de rol van freule Martini en haar vriend de burgemeester. Hij uitte in 1949 felle kritiek op de sloop van de historische molen. Zijns inziens was dit niet nodig geweest en vooral te wijten aan de verkeerde samenstelling van het comité:
“Het comité heeft wel pogingen gedaan, doch deze zijn enerzijds door ontactisch optreden van het comité, anderzijds door te geringe medewerking van de eigenaresse en de bevolking mislukt. Het comité was niet juist samengesteld. Op de eerste plaats had men rekening moeten houden met het feit, dat de eigenaresse katholiek was en de molen in een absoluut katholieke omgeving stond. Niet één der comitéleden was katholiek! Men moet in een dergelijk geval rekening houden met de gevoeligheden van de bevolking.

Op de tweede plaats was de voorzitter (burgemeester Reynst) iemand, die daarvoor absoluut ongeschikt was. Werk ervoor doen lag niet op zijn weg! Daarenboven moest de bevolking hem ook niet! Met de “gewone man” om gaan lag hem in het geheel niet. Zijn uitlatingen waren in dit opzicht meer dan eens beneden peil. Allen wat “adel” was telde mee. Ook jonkvrouwe Martini was niet de geziene persoon. Hierdoor werd de zaak niet beter. Beiden waren ongehuwd en zeer dik met elkander bevriend!

Lees verder op pagina 4