Jan Wagenvoort – Een leven in dagboek en poëzie

Door HUUB BAAKMAN

Jan Wagenvoort: ”Pen en papier heb ik altijd bij me.” (Foto Hans Groene)

HENGELO — Als je de mooie leeftijd van tachtig jaar hebt bereikt, heb je in je hoofd een oneindige zee van herinneringen. Dat is al een rijk bezit op zich, maar Jan Wagenvoort uit Hengelo heeft zelfs nog meer. Sinds zijn kinderjaren heeft hij tal van dagelijkse gebeurtenissen opgeschreven, in dagboeken en in gedichten. Wagenvoort deed dat zo trouw en nauwkeurig, dat zijn schrijfwerk nu kan dienen als bijna onuitputtelijke informatiebron. Een documentaire over zijn eigen leven.

“Toen ik twaalf was heb ik mijn eerste versje geschreven.” “Jij wordt nog eens een dichter”, zei de meester.” “Nee, dichter zal ik mij nooit noemen. Dat is zo’n beladen woord”, zegt Jan Wagenvoort nu. Wanneer jongens uit de buurt aan het voetballen waren, deed Wagenvoort niet mee. Hij was er het type niet naar. “Soms was ik er wel bij als keeper. Dat was wat rustiger. Ik deed heel andere dingen. Trok de natuur in om schetsen te maken.”

Wagenvoort (volgende week wordt hij tachtig) is in 1917 geboren in het Hengelose Broek. Zijn grootvader had in 1860 een stuk grond gekocht waar hij een boerderij op liet bouwen. “Ik was dertien toen ik al meewerkte op de boerderij. Ik ben naar de landbouwschool gegaan en daarna altijd boer gebleven. Ik heb 55 jaar op de boerderij gewerkt.” Inmiddels woont hij samen met zijn vrouw Willy alweer ruim tien jaar ‘burgerlijk’ in het dorp. “Ik heb het hier goed naar mijn zin.”
Met gedichten schrijven ben ik heel vroeg begonnen. Tijdens het werk maakte ik aantekeningen over de voorvallen en de gewone kleine dingen uit het dagelijkse leven. Ik schreef dat op in, twee dagboeken. Een voor de algemene dingen en de andere voor persoonlijke zaken. Daar staat mijn hele jeugd in beschreven. Over wat mij aanging en mijn gedachtegang in die tijd.” “Op basis van die aantekeningen maakte ik mijn gedichten. In totaal heb ik er wel zo’n 150 gemaakt. Ik draag die voor op bruiloften, jubilea en verder overal waar het zo te pas komt. Pen en papier had ik altijd bij
had ik altijd bij me. Bij het boerenwerk kom je leuke dingen tegen. Ik was altijd geïnteresseerd in de oude dingen, want die verdwijnen en komen niet meer terug. Met die dagboeken ben ik begonnen toen ik zestien was.” “Op jonge leeftijd wisten veel mensen Jan Wagenvoort te vinden om een feest of een andere activiteit op te luisteren. Niet alleen met gedichten, maar ook met toneel of het helpen samenstellen van een feestelijke programma. “Mensen dachten al gauw: “Ach, Jan uit Broek zorgt wel voor de vrolijke noot. Ik vind dat ook niet erg hoor, ik kan toch niet stilzitten. Ik praat liever voor een volle zaal dan dat ik moet zitten luisteren.” “De gedichten gaan over dingen van alledag. Ik draag alleen voor aan ouderen. Voor jongeren doe ik het niet. Die houden daar niet van. De jeugd wil heel wat anders, zoals discomuziek. Zo’n liedje als Busje komt zo, busje komt zo en dat twintig keer, daar word je toch gek van. Ik vind dat waardeloos.” De Hengeloër draagt zijn gedichten voor in dialect en de meeste zijn vrolijk van aard.” “Ik doe ook wel eens een ernstig gedicht. Soms zitten de toehoorders met een zakdoek in de hand. Het raakt de mensen.” Jan Wagenvoort is op diverse terreinen actief geweest in de Hengelose gemeenschap. Aan de Bekveldse  jongerenvereniging, waar hij tien jaar secretaris en zeven jaar voorzitter was, bewaart hij goede herinneringen. Ouderling van de kerkenraad was hij twaalf jaar. Eindjaren zestig zat hij vierjaar in de gemeenteraad. Leven zonder muziek is voor hem ondenkbaar. Wagenvoort was 55 jaar actief als muzikant van muziekvereniging Crescendo. Jarenlang was hij voorzitter en hij werd benoemd tot erevoorzitter. Voor zijn inzet op sociaal- en maatschappelijk gebied werd de scheidende Hengeloër in 1982 koninklijk onderscheiden.

“Voor mij is muziek altijd een feest. Blaasmuziek vind ik het mooiste wat er is. Als kind hadden we thuis van die plastic fluiten. Daar speelde ik toen op. Een blokfluit, zoals tegenwoordig, had ik toen nog niet. In die tijd heb ik wel een mondorgel gekocht. Dat leerde ik snel. Mijnvader had een harmonica en toen ik twaalf jaar was speelde ik daarop. Ik mocht dat eigenlijk niet maar deed het toch.” Wagenvoort staat in zijn dorp ook bekend als spölleman. Met zijn trekharmonica begeleidt hij muzikaal twee folkloristische dansgroepen. ’De Klepperklumpkes’ en ‘Old Hengel’, beide uit Hengelo. ”Nieuwe dansmelodieën neem ik op een bandje op. Ik draai dat enkele keren af. Als ik ze kan zingen, kan ik ze ook spelen. Wij treden hoofdzakelijk op voor bejaardentehuizen in de regio. Het repertoire bestaat uit zo’n 25 oude Achterhoekse dansen.” Jan Wagenvoort heeft vanaf 1950 al zijn agenda’s bewaard. Zo’n 25 stuks liggen opgestapeld in de kast. ”Ik bewaar altijd alles. Ik gooi niet gauw wat weg. Als ik iets wil weten kan ik het altijd terug vinden. Welke voordrachten ik heb gedaan, waar en wanneer opgetreden en dat soort aantekeningen maakte ik daar in. Dat doe je toch niet weg?”. Een volledig archief van de muziekvereniging heeft Wagenvoort ondergebracht in het gemeentelijk archief. Hijzelf heeft uit de notulen een overzicht gemaakt en een eigen archief aangelegd dat is aangevuld met plakboeken over uitvoeringen, serenades en andere belangrijke gebeurtenissen. Wagenvoort legt zijn plakboeken opzij en enthousiast vervolgt hij zijn verhaal, in het dialect. De koffie naast hem is koud geworden en gaat de gootsteen in. ”De betekenis van dingen kun je in het dialect mooier weergeven en uitdrukken. Als je het in het Nederlands doet, moet je de taal donders goed onder de knie hebben, anders krijg je veel kritiek. Al zijn voordrachten zijn op rijm. Het voordragen is volgens de ‘meester’ wel te leren. ”Maar je moet aanleg hebben. Je bent er mee geboren. De mimiek is heel belangrijk. Die moet je aanpassen bij wat je zegt. Mensen noemen me wel eens voordrachtkunstenaar, maar zelf zie ik dat niet zo. Wat ik doe is wel iets meer dan zo maar iets vertellen. Mijn gedichten hebben een moraal en er zitten tegenstellingen in.” Zijn eigen leven staat beschreven in een bundel die tot 1990 is bijgewerkt. De bundel omvat 250 pagina’s en is met de hand geschreven. Sommige delen van de tekst worden ondersteund met pentekeningen. In een andere bundel zijn 36 verhalen opgetekend die Wagenvoort van zijn vader heeft gehoord. ”Ik heb ze opgeschreven omdat het anders de wereld uit gaat. Bij die bundel zit een verhaal dat doorlopend vertelt over het leven van een huisslachter en alles wat daarbij hoort. Mijn doel is altijd geweest om al die folklore vast te leggen voor later en daar heb ik een hobby van gemaakt.” De laatste zes jaar heeft Jan Wagenvoort zich ook toegelegd op het schrijven van limericks. ”Ik heb er niet veel tijd voor. Bij gelegenheid krabbel ik soms iets op papier en werk het later uit. Zo’n veertig heb ik er nu gemaakt.” Bijna alle hobby’s van Wagenvoort staan in het teken van vroeger, zoals ook de pentekeningen die hij maakt. Oude molens, boerderijen, panden en kerken worden met een pen getekend en met vetkrijt ingekleurd. Het in elkaar knutselen van landbouwwerktuigen in miniatuur geeft voor de Hengelose dialectdichter ook veel voldoening en roept herinneringen op aan het verleden. En wanneer het uitkomt, pakt hij de fiets om erop uit te trekken. “Elke vrije minuut steek ik in mijn hobby’s. Ik ben altijd actief bezig. Ook nu nog, ondanks mijn leeftijd. Zou ik dat allemaal niet doen, dan heb ik het idee dat ik een half leven heb. Tijd is voor mij heel belangrijk en daar ben ik zuinig op. Ik heb nog zo veel te doen.”
Bron: De Graafschapbode – 15 januari 1997

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *