1989-02 Predikanten N.H. Kerk

Predikanten N.H. Kerk
Uit de Olde Kaste 1989-02
Auteur: S. Molenaar

In de N.H.kerk hangt een groot houten bord, waarop de namen staan vermeld van de predikanten die de Hervormde gemeente Hengelo vanaf de Reformatie gediend hebben.

De eerste vier zijn:
(1595) – 1598 Johannes Tremoniënsis
1598 — 1599 Rutgerus Hensbergh van Onna
1602 — 1604 Johannes Paal
1605 — 1613 Petrus Wilbrennink
Deze predikanten van het eerste uur van de Hervorming vinden we ook op de predikantenlijst van de gemeente Zelhem. Hengelo en Zelhem zouden tot 1611 een kerkelijke gemeente gevormd hebben. Ook de officiële lijsten van de Nederlandse Hervormde Kerk geven ons de bovengenoemde predikanten met de jaren en hun ambtsperiode. Maar de eerste twee predikanten Tremoniënsis en Van Onna zijn nooit in Hengelo geweest (1) en Johannes Paal nooit in Zelhem, alleen Petrus Wilbrennink, eigenlijk alleen predikant van Hengelo, kwam vanaf 1605 tot 1611 ook in Zelhem.

De tijd waarin zich dit afspeelde was zeer rumoerig. Weliswaar hadden de Staten van Holland vanaf 1580 maatregelen genomen om de R.K. religie te verbieden en alleen de Hervormde (toen geheten ‘de Gereformeerde’) religie toe te staan, maar de Graafschap was nog lang niet gezuiverd van de Spaanse troepen en de overgang van de stad Zutphen in 1583 naar de Spaanse zijde betekende voorlopig het einde van het doordringen van de Hervorming.
Nadat de Spanjaarden verdreven waren, begon op 30 mei 1598 de zitting van de Classis te Zutphen om opnieuw te trachten het Kwartier van Zutphen te protestantiseren. De pastoors moesten voor de vergadering verschijnen en zich laten examineren in de nieuwe leer. Daar de tractementen van de predikanten voortaan door de Staten van Gelderland werden uitbetaald, lag voor velen de keus niet zo moeilijk. Van de een op de andere dag gingen zij over op het verkondigen van de nieuwe leer en stelden daarmee hun inkomen veilig. Voor het eerst vernemen we iets van de voorgangers alhier als er in 1591 sprake is van een geschil tussen de afgezette en de nieuwe predikant over de vruchten van de pastorie- en vicariegoederen, maar we worden hun namen niet gewaar (2).
Zes jaar later, in 1597, is er een verzoek van de inwoners van Hengelo aan het Hof van Gelderland om Johannes Paal, op dat moment predikant te Almen, verlof te geven om naar Hengelo, waar hij enige jaren heeft gestaan, terug te keren om zijn dienst voort te zetten (3).
Het ambt alhier was komen te vaceren doordat Daniel van Suave gevlucht was naar Borculo voor de nog steeds in de Graafschap aanwezige Spanjaarden. Johannes Paal liet er geen gras over groeien, want binnen veertien dagen had hij Almen verlaten om weer in Hengelo de kansel te beklimmen. Almen protesteerde heftig maar Paal bleef in Hengelo (4).
De door de Katholieke vijand verdreven voorganger Van Suave gaf nog wel te kennen dat hij graag weer naar Hengelo zou gaan, zodra de vijand hem dit mogelijk maakte, maar hij keerde niet meer terug (5).

Dat predikanten niet op het platteland durfden wonen was in deze gevaarlijke tijden geen zeldzaamheid. Zo schreef een inwoner van Doesburg, dat de predikant van Hummelo een poos bij hem in de kost was geweest, omdat hij wegens het oorlogsgevaar niet in Hummelo durfde wonen. De jaren 1580-1590 waren voor Gelderland de meest rampzalige van de gehele Tachtigjarige oorlog. De landdrost van de Graafschap schreef in 1580 aan het Hof dat zijn ambt (Steenderen, Ruurlo, Hengelo, Zelhem en Hummelo) zo door de vijand gekweld werd dat mens noch dier zich durfde te vertonen en de arme inwoners met hun gezinnen en vee de wijk hadden genomen in de moerassen, waar zij een ellendig bestaan leden en van honger nagenoeg omkwamen.

Lees verder op pagina 2

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.