1999-01 Bijzondere Hengeloërs

Uit de Olde Kaste 1999-01

Auteur: Ben Hiddink

Bijzondere Hengeloërs

Hentjen en Dientjen Breuyel aan de Slotsteeg. “Dat mot wel een paar anpatten ewes wean”. Dit hadden we al enige malen gehoord, en dus maar eens op onderzoek uit. Vanaf deze plaats eerst een woord van dank aan mevrouw Sixma van Heemstra, dochter van de schrijfster van ‘Toch Grootvaders Jungsken’ (zie ook ‘Olde Kaste’ ’98-1). En aan Besselink van de ‘Minkhorst’, naaste buur van de Breuyel’s.

Zij beiden wisten uit verschillende episodes en vanuit hun eigen invalshoek, te verhalen. Hierdoor kon er een beeld ontstaan van deze ‘bezundere vrouw-luu’ die van 1860 tot 1946 woonden aan de Slotsteeg nummer 2 (Noordink 468).

Noordink, 1900. De buurtschap de ‘Noordink’ was in die tijd een landschap, waar men tegenwoordig als natuurliefhebbers van zou watertanden. Hoge kampen omzoomd door zgn. boerengeriefhout, laag drassig weiland, en veel bosjes. Dit alles doorsneden door talloze paadjes en karresporen, die nodig waren voor de ontsluiting van de versnipperde percelen en natuurlijk voor de boerenhoeve’s die duidelijk hun stempel op de streek drukten.
Namen als Memelink, Wassink, Abbink, de Lushof en Minkhorst, Ellenkamp, Vaalverink, Hiddink, Bannink, Langeler (alleen nog fundamenten, laatste bewoner Remmelink), Olthof. En ook Kasperij, de Heurne, Hesselink, ’t Regelink en het Creyl zullen altijd met de Noordink verbonden blijven.
Het was ook een streek waar buitenstaanders snel de weg kwijt waren, en waar het reeds vanaf het tweedonker (schemering) voor onbekenden iets mysterieus en ook griezeligs had.

Lees verder op pagina 2